2 Kronieken 16:9 "Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen van wie het hart volkomen is met Hem."

Jesaja 40:10 "Zie, de Heere HEERE! Met kracht zal Hij komen, en Zijn arm zal heersen. Zie, Zijn loon heeft Hij bij Zich, Zijn arbeidsloon gaat voor ...

Psalm 42:2-3 "Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God."

Psalm 65:3,6,8 "U hoort het gebed Met ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid, o God van ons heil, Die het bruisen van de zeeën stilt, ...

Prev Next

Gods openlijke tegenwoordigheid




Het onderwerp opwekking is van veelomvattend belang. Het behoort altijd veel belangstelling en aandacht van de kerk te hebben. Als de kerk echter steeds minder in staat is om de toename van het bederf tegen te houden in een wereld die steeds meer in verval raakt, dan moet het uitzien naar opwekking de hoogst mogelijke prioriteit krijgen. Het onderwerp opwekking roept veel dringende vragen op. Vragen die een Bijbels antwoord behoeven, zoals: ‘Waarom is de invloed van de kerk zo ontzettend verbleekt in de afgelopen tijd?’ en: ‘Waarom is het kwaad in dezelfde tijd zo snel en verwoestend toegenomen?’

De schuld verleggen
De kerk loopt het grote gevaar de vragen te beantwoorden door de schuld op de verkeerde plaats te leggen. Men is tegenwoordig geneigd te schuld voor het verval van de kerk en de groei van het kwaad in de samenleving te leggen bij de wereld, de duivel, de politici, de media en het onderwijsstelsel. Sommigen hebben zelfs verondersteld dat de duivel steeds machtiger aan het worden is in deze laatste dagen. Hij zou een stortvloed aan boze geesten tegen de kerk ontketenen. Waar wordt ons echter in de Bijbel deze wijsheid geleerd om anderen de schuld van onze eigen problemen te geven? Of op welke bijbelse gronden kunnen we antwoorden die zo tegen de geopenbaarde waarheid ingaan, rechtvaardigen? Het is niet alleen struisvogelpolitiek, maar ook een garantie dat de toestand alleen maar slechter zal worden. Bovendien is het het toppunt van huichelachtigheid van de kerk aan de natie te vragen om zich te bekeren, terwijl zij zichzelf niet eens bekeerd heeft.

Gods oordelen
De Bijbel laat Gods liefde tot de gerechtigheid en Zijn haat tegen de zonde duidelijk zien. In een grote verscheidenheid van rechtvaardige oordelen heeft God laten zien dat Hij het kwaad niet duldt. Nergens in de Bijbel zijn Gods oordelen echter meer passend dan wanneer ze gericht zijn tegen Zijn eigen uitverkoren, maar onbekeerlijke volk. Een onderzoek naar de bijbelse oordelen die gericht zijn tegen het volk van God vanwege zonden waarvan zij zich niet bekeerd hebben, laat zien dat deze in twee hoofdgroepen uiteen lijken te vallen: definitieve en op herstel gerichte oordelen.

Als de term ‘oordeel’ valt, wordt meestal gedacht aan definitieve oordelen. We kunnen deze omschrijven als oordelen waarbij geen tijd of gelegenheid gegeven wordt tot bekering. De dood van Ananias en Saffira is een duidelijk voorbeeld van een definitief oordeel, evenals de vele Oudtestamentische voorbeelden van grote aantallen Israëlieten die door vijandelijke legers verslagen werden. Op herstel gerichte oordelen zijn oordelen die bedoeld zijn om een fout te corrigeren, dat wil zeggen om onboetvaardigen tot werkelijke bekering te brengen. Insectenplagen, afschuwelijke ziektes en droogte zijn bekende voorbeelden van zulke op herstel gerichte oordelen.

Geen enkel voorbeeld van een op herstel gericht oordeel komt echter vaker in de Schrift voor dan het terugtrekken van Gods openlijke (duidelijke, zichtbare en voelbare) tegenwoordigheid van Zijn weerspannige en onboetvaardige volk. Wil de kerk een krachtig getuigenis in de wereld laten horen, dan moet ze zorgen voor een overtuigend bewijs van Gods gunst. Mozes drukt dit krachtig uit, als hij tegen God zegt: ‘Indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken. Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk dat op de aardbodem is’ (Exodus 33:15-16).

De wereld raakt niet onder de indruk als de kerk roept: ‘God is bij ons!’ Ze raakt echter wel onder de indruk als Gods tegenwoordigheid in het midden van de Zijnen duidelijk blijkt. Mozes verkondigt een waarheid die de kerk zegt te geloven, maar waaruit blijkt dat het ook zo is in de ervaring van de huidige kerk? Als de kerk net zo immoreel is als de wereld erom heen, wie kan haar getuigenis dan geloven? Als de kerk zich aanpast aan de pogingen van de goddelozen om zichzelf van dienst te zijn, wie kan dan onder de indruk zijn van haar spreken over de godsdienst? Wanneer de kerk anderen de schuld geeft van haar eigen fouten in plaats van zich te bekeren en Gods openlijke tegenwoordigheid opnieuw te zoeken, is ze gedoemd te volharden in haar krachteloos uitspreken van ongeloofwaardige vrome woorden. Als we ons begrip van Gods tegenwoordigheid uiteen zetten, moeten we tenminste drie verschillende aspecten hiervan nader bezien.

De wezenlijke tegenwoordigheid van God
‘Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre? Zou zich iemand in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt de HEERE’ (Jer. 23:23-24). We weten dat God overal tegenwoordig is. Het is onmogelijk ergens heen te gaan beneden op de aarde of boven in de hemel waar God niet is. Als we een van onze kinderen in een ruimtevaartuig de ruimte in zouden schieten en als hij vijftigduizend jaar verder zou reizen, zou hij nooit op een plaats komen waar God niet is. In zijn wezenlijke tegenwoordigheid is God niet méér aanwezig op een plaats waar hij gediend wordt dan in een hol van de zonde. De psalmdichter vroeg: ‘Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie Gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook dáár zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden’ (Ps. 139:7-10). Wat is echter de invloed van Zijn wezenlijke tegenwoordigheid op een zondige wereld? Zijn de mensen bang onrecht te doen omdat God hemel en aarde vervult? Duidelijk niet!

De openlijke tegenwoordigheid van God
Dit is het, waarover Mozes sprak in het gedeelte van Exodus dat hierboven aangehaald is. In de geschiedenis van de mensheid zijn er wonderlijke perioden geweest, waarin God Zijn volk dicht genaderd is. Jesaja smeekte om deze tegenwoordigheid: ‘Och, dat Gij de hemelen scheurde, dat Gij nederkwam’ (Jes. 64:1). Dit is het wat Mozes ervoer in de brandende braambos. Toen de apostel Johannes in de geest was op de dag des Heeren, viel hij als dood neer voor de openlijke tegenwoordigheid van God.

Gods openlijke tegenwoordigheid is het middelpunt van iedere menselijke ervaring van geestelijke opwekking. Degenen die deze tegenwoordigheid ervaren, worden altijd aangedaan met een diep gevoel van het afschuwelijke van hun zonde. Het werkt een diepere mate van bekering uit dan ooit tevoren. Het wendt de ogen van mensen af van zichzelf tot de Heere in al Zijn heiligheid. Het doet het uitroepen: ‘Heilig, heilig, heilig!’ In het licht van zo’n openlijke heiligheid is het niet verbazingwekkend dat mensen beven, wenen en uitroepen doen als: ‘Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is’ (Jes. 6:5) en: ‘Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens’ (Luk. 5:8).

Dit gevoel van Gods ontzagwekkende heiligheid is precies datgene wat in de meeste kerken vandaag de dag gemist wordt. Ons gebrek om Hem gehoor te geven heeft de Heilige gedwongen Zijn openlijke tegenwoordigheid uit ons midden terug te trekken. Dit is het waardoor de kerk wegkwijnt en de zonde welig tiert. Gods oordelen worden pas opgeheven als Gods volk ze onverdraaglijk vindt en zij uit de grond van hun hart tot God roepen in waarachtige boetvaardigheid. Tenminste zeven kringlopen van zonde, oordeel, roepen tot God en verlossing zijn er te vinden in Richteren en zelfs nog eens vijf meer in 2 Kronieken. Dit is het patroon geweest in de geschiedenis van de mensheid en dit is vandaag de dag nog steeds het geval.

De gezochte tegenwoordigheid van God
Het is een wonderlijke waarheid dat, zelfs als Gods rechtvaardige en op herstel gerichte oordelen liggen op alle kerken in een land en Zijn openlijke tegenwoordigheid teruggetrokken is, het toch mogelijk is dat afzonderlijke mensen -en zelfs hele gemeenten- zichzelf diep verootmoedigen, bidden, Gods aangezicht zoeken en zich bekeren van hun verkeerde wegen. Ze kunnen Gods tegenwoordigheid dan in zo’n mate zoeken, dat er openlijke blijken zijn van Zijn tegenwoordigheid in en onder hen. Zulke afzonderlijke mensen of gemeenten zijn als lichtbakens in de donkere woestenij van de zonde.

Het beeld is duidelijk genoeg. Het is door zonden waarvan mensen zich niet bekeren dat God Zijn openlijke tegenwoordigheid terugtrekt. Als er werkelijke bekering optreedt, heft God Zijn rechtvaardige oordelen op en laat opnieuw Zijn aanwezigheid blijken. Sommige ogenschijnlijke christenen vinden zo’n leer ongemakkelijk en niet in overeenstemming met hun eigen begrip van de dingen. Zij halen liever uitspraken aan als: ‘Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld’ (Matth. 28:20) en: ‘Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten’ (Heb. 13:5). Hoe wonderlijk deze beloften ook zijn, ze schuiven het uitgebreide bijbelse onderwijs over Gods tegenwoordigheid niet aan de kant. Tegenwerpingen tegen de leer van Gods tegenwoordigheid komen meer op uit onwetendheid met de Bijbel dan uit welke andere bron ook. En hoewel onze ervaringen moeilijk met de Schrift vergeleken kunnen worden, bevestigen ook zij deze waarheid. Heeft niet iedere ware Christen tot zijn eigen verdriet ondervonden, dat persoonlijke, niet-beleden zonden scheiding maken tussen God en hemzelf en in tenminste enige mate het verlies van het gevoel van Gods tegenwoordigheid tot gevolg hebben? Zonder twijfel was dit het waar David over sprak: ‘Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd’ (Ps. 32:5). Lees ook Psalm 38.

De feiten onder ogen zien
De bewijzen zijn overstelpend dat in de kerk in het Westen het heil druppelt als een bijna opgedroogde beek in de zomer, terwijl het in andere tijden van de kerkgeschiedenis als een machtige vloedgolf over het land gespoeld heeft. Wat heeft het voor zin te doen alsof God net zo met ons is als hij met alle andere generaties gelovigen geweest is, terwijl er duidelijke bewijzen zijn voor het tegendeel? Wie kan anderen veroordelen om een oordeel dat rechtvaardig over hen gekomen is? O, mochten we ons in al die smart tot God wenden! O, mochten we verwachtend bidden om de gezegende blijken van Zijn tegenwoordigheid! O, mocht een krachtige opwekking plaatsvinden in de kerk en de wereld op een heerlijke manier ontwaken! Als de kerk zich niet bekeert, zal ze het tragische feit gewaar worden, dat een oordeel dat op herstel gericht is, maar waar geen acht op geslagen wordt, op Gods tijd een definitief oordeel wordt.

Geschreven door: Richard Owen Roberts
Vertaling: Willem van Klinken
Met toestemming overgenomen uit het Evangelical Magazine of Wales (feb/maart 2001)
© 2001 George Whitefield Stichting.